pan en kok

12 jaar geleden ging de deksel van de pan. Met een koffer ging ik, vrouw na 21jr achterlatend, kinderen bij haar, natuurlijk, het vertrouwde nest. Het was de enige keus voor me, zo verder te gaan, zelfs als vader kon ik niet anders. Het was zo sterk, ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik anders gefaald zou hebben als pa, als ik mezelf als mens ontkende. Al ben ik zo veel meer kwijtgeraakt. In nabijheid, samen leven, zijn ze mij ook zo kwijt geraakt…
Eerst nog tijdelijk bij m’n ma, maar dat was nog veel te dicht bij. En ik vond al snel de eigen ruimte die ik zo hard nodig had, een anti-kraak kantoorpand, geheel leeg en de 1e etage met 2 enorme grote en kale betonnen ruimtes was ineens mijn thuis. Om 17u gingen de buren naar huis, het hek van het terrein dicht en ik was daar, alleen. Wow.
En toen kwamen 12 zeer intense jaren, niet in intensiteit onderdoend voor de eerste 12 jaar. Van de ongeuite schreeuw van toen, naar de stilte van nu, ja, als de duim van vorige week.

Toch kwam de ommekeer net iets eerder. Een half jaar eerder zat ik met burn-out thuis. Veel lopen, door weer en wind, schrijven, een boek vol, gesprekken met een psycholoog. En het moment dat ik toegaf aan de drang om mijn jeugddorp op te zoeken. Het huis, de school, de paar straten door. De school was het ergste. De herinneringen aan de oude hoofdmeester, zo symbool voor de pijn, angst, boosheid en onmacht die ik voelde. Ik parkeerde voor de school, onder de beschutting van een boom. Schuin achter mij het huis van de meester, dreigend, stil. In me steeds de gedachte, wat als ik hem zie, tegenkom. Alleen dat, ik kon me er geen voorstelling van maken wat het voor gevoel zou oproepen, ik vond het te eng. Voor me het stille plein, alle kinderen binnen. De bomen zo veel groter, de school wat verbouwd, het was niet meer den ouden school. Maar toch. Ik heb er lang gezeten, via het spiegeltje het huis, via het turen terug naar hoe het plein vroeger was. Tot ik ging. De middagpauze was begonnen, de meeste kinderen weg en een paar speelden bij 2 juffen op het plein. Ik liep naar een juf, zei dat ik oud leerling was en of ik even binnen mocht kijken. In de gang vertelde ze dat de oude hoofdmeester de vorige dag was overleden.
De wandeling door het dorp was als de school. Het leek niet meer op wat het was. De huizen waren kleiner (want ik was groter), in verouderde en soms slechte staat, nieuwbouw, ander groen. Maar het gevoel bij de herinneringen dwaalde er nog, in mij. De beklemming die achter de dichte vitrages zat vol glurende ogen en kleppende monden, altijd met een negatief oordeel klaar. Plekken of huizen met goede, slechte of vreemde ervaringen. En uiteindelijk genoeg, weg. Het punt dat ik het dorp verliet, alsof ik vanuit een bedompte kamer de frisse lucht in ging, een heerlijke verademing. Ik hoefde daar nooit meer heen, ik had het aangekeken, het was klaar want ik kon het letterlijk achter me laten. Al bleef een verdwaasd gevoel, hoe bizar dat die meester juist op dit moment dood is gegaan.
Ik reed nog door, vond tot mijn grote verbazing zonder zoeken precies de weg naar het huis van opa en oma. De veranderde omgeving, langs de ondertussen ontstane en hernoemde MartinBril rotonde, rechtsom als vanzelf. Maar daar was niets te zoeken, niemand meer om aan te kijken. Want daar ging het om, daar zat de grootste angst, in feite de angst dat er niks veranderd zou zijn, al leek alles anders.

De stap zetten, aankijken van jezelf, erachter komen dat je alleen je zelf nog aan kan kijken om te komen waar je wilt zijn. Daar waar je jezelf hebt achtergelaten, al voelde het of iemand iets had afgenomen. Daar heen durven gaan, om de deur in jezelf te openen.
Tja. En dan zegt het allemaal niks op zich. Want tijd heeft toch de eigen waarheid. En die is niet raakbaar en kan alleen zichzelf terugbrengen, als je het de tijd geeft.

En nu? De grijns, want ik voel na 12 jaar puberkriebels en zie een bijna witte baard in de spiegel, corona raast rond en de wereld neemt zichzelf veel te serieus. Ik voel me onhandig, vooral sociaal, heb een overslaande stem, al is het letterlijk geworden en droom over het zoenen van een meisje met de overtuiging dat mij dit nooit zal overkomen. En ik snap niks van de grote mensenwereld die zo druk is nergens heen te gaan en het fijnste vind ik het hangen op de bank.
Grote verschil is wel dat ik geen deksel meer op het potje hoef, ik moet er zelfs niet aan denken. En dat is nog wel wat vreemd. Want dat is vroeger toch verteld, dat er een passend dekseltje is. Met de onderliggende waarde dat je niet compleet bent zonder dekseltje. En ik wil niet meer bedekseld worden, ik wil niks meer dempen, ik wil dampen! In de vrije adem laten zijn. Tot tranen ontdaan van on nodig heden en het nieuwe stoom wat opnieuw de dwarrel vindt en nog vreemde luchten.

In het dorp vond ik wat ik verloren was. De magie van leven en een deksel die verdwenen was. Als een houvast wat ik hervond, door te vertrouwen op het vuur van binnen, als vlakkerende richtgever. De wonderlijke verbinding met buiten, waar sinds ik de deksel verschoof elk moment als kloppend samen werd gebracht met een omgekeerd beleven. Al mis ik het nog wel, dat samen pruttelen, als veiligst gevoel. Tja, tot het weer aanbrandt dan haha. Er moet wel geroerd worden, draaiend als de melkweg, als leven in zuiverste vorm, ver voorbij een hooriszon. Omdat je niet anders kan, dan er maar op te vertrouwen, omdat het groter is dan ik bij elkaar kan koken.
Misschien is het leven wel de kok. De kok en de pan, de zin en de ingrediënten, de honger en het geduld. Op recept of op gevoel. Een deksel als het zo past.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s